Opleidingsplan KNO: van landelijk naar regionaal
Prof.dr. Bernard van der Laan vertaalde het nieuwe landelijke opleidingsplan ENTER naar een regionaal opleidingsplan KNO voor de OOR N&O. Hoe doe je dat en wat is belangrijk? ‘Samen overtuigd zijn van het opleidingsplan’, stelt Van der Laan allereerst. ‘Collega’s uit de regio hebben meegeschreven aan ENTER. Iedereen was er dus al goed bekend mee en staat achter het plan’. Een stapsgewijze invoering is ook belangrijk. Van der Laan: ‘Je moet het kind niet met het badwater weg willen gooien. Wij gebruiken het oude opleiden om het nieuwe opleiden vorm te geven.’
Waar begin je?
De competenties die de aios in de opleiding moet ontwikkelen zijn in ENTER vertaald naar een competentieprofiel en verwerkt in 19 thema’s. De thema’s komen door de hele opleiding terug en worden tot in het vijfde jaar verfijnd. ‘Per thema hebben we bepaald wat de aios goed kan leren in de niet universitaire kliniek en wat in het UMCG’, vertelt Van der Laan. Hij geeft een voorbeeld: ‘Een patiënt bij wie amandelen verwijderd worden, wordt in het UMCG standaard geïntubeerd. Terwijl diezelfde patiënt in de periferie wordt verdoofd met een kapje. In het UMCG leert de aios het verwijderen van amandelen, waarna hij in de B-opleidng leert hoe je dat doet terwijl de patiënt zelfstandig ademt.’
Meer in de B-opleidingskliniek
Het bleek dat de aios langer in de B-opleiding zou moeten zijn om meer expositie aan de reguliere KNO te krijgen. Hoe creëer je draagvlak voor het succesvol doorvoeren van zo’n verandering? Van der Laan: ‘Door op zoek te gaan naar voordelen voor iedereen. Navraag bij aio’s leerde dat zij sowieso graag langer en eerder in de opleiding naar de B-opleiding wilden omdat ze er meer routine kunnen krijgen in veel voorkomende problematiek. De druk op de B-opleidingsklinieken (Martini ziekenhuis en Isala Klinieken) is verlicht door de komst van een derde B-opleidingskliniek; het Medisch Centrum Leeuwarden. Ook laten we de aios twee keer naar dezelfde B-opleiding gaan; als junior en als senior. Junior en senior leren verschillende dingen en kunnen dus ook voor verschillende dingen worden ingezet. De senior heeft weinig inwerktijd nodig heeft en kan snel aan de slag. Van der Laan noemt nog een bijkomend voordeel: ‘Elk niet universitair ziekenhuis heeft zijn eigen expertise, zoals bijvoorbeeld de evenwichtspoli in het MCL. Door aio’s meer naar de B-opleiding te laten gaan, leiden we ze zo breed mogelijk op.’
Structuur
Elk thema is voorzien van een bekwaamheidsniveau zodat duidelijk is wat een aios aan het eind van zijn opleiding moet weten, moet kunnen en eventueel moet kunnen onderwijzen. Van der Laan: ‘Een aios weet op dag 1 precies met welk thema hij op de laatste vrijdag van de opleiding bezig is. Het lijkt een harnas maar geeft ook de duidelijkheid zodat de aios zich goed kan voorbereiden. De structuur spreekt aio’s aan. Ze hebben nu
zelf een plan gemaakt voor het cursorisch onderwijs. Een overzicht van wat ze wanneer moeten leren en wie hen dat het beste kan leren.’
Toetsing
De structuur komt ook weer terug in de toetsing. Alle aio’s KNO doen een landelijke kennistoets die gelijktijdig en webbased wordt gemaakt. ‘Maar regionaal toetsen we zoals we zelf willen,’ vertelt Van der Laan. ‘Bij de invulling van de thema’s voor ons opleidingscluster heb ik gelijk vaste toetsmomenten benoemd. Naast OSATS gebruiken we instrumenten als KPB’s en 360˚ feedback om de groei in andere competenties te meten.’ Vooral de KPB komt vaak terug. Van der Laan vertelt waarom. ‘Het geeft de opleider een moment van bezinning: wat wil ik de aios eigenlijk leren? En de aios kan later nog eens terugvinden wat een opleider ooit heeft gezegd. Alle aio’s hebben hun eigen toetsboekje. Dat vonden ze eerst maar een stap terug. “Een aftekenboekje, dat hoort toch bij co’s”, zeiden ze. Maar nu zijn ze er tevreden over, en vragen ze zelf om een KPB.’
Volgende stap
‘We zijn nog niet klaar bij de KNO,’ vertelt Van der Laan. ‘Momenteel zijn we op zoek naar een elektronisch portfolio. Om meer inzicht te krijgen in verbanden tussen de verschillende leermomenten en de manieren van toetsen.’ Ook dit gebeurt weer in overleg met de aio’s. ‘Zodat we uitkomen bij een systeem dat opleider en aios biedt wat ze ervan verwachten. Een volgende stap naar een optimaal opleidingsplan.’
Bekijk het opleidingsplan KNO van de OOR N&O .
(Loes Smit)




